Nu in de regio: Putter
Het blijkt lastig tot een goede afgrenzing van de vinkenfamilie Fringillidae te komen. De laatste tijd pleiten biologen ervoor de harde kern van de Fringillidae te verdelen in de onderfamilies Fringillinae (3 soorten) en Carduelinae (123 soorten). De Vink en de Keep behoren tot de eerste onderfamilie. Naast de Putter behoren onder andere ook de Europese Kanarie, Sijs, Kneu, Groenling, Kruisbek en Appelvink tot de andere onderfamilie Carduelinae. Aan de Fringillidae kun je goed zien hoe langs verschillende wegen soortvorming plaatsvindt. Bij “adaptieve radiatie” zie je een snelle opsplitsing in nieuwe soorten doordat deelpopulaties zich verschillend specialiseren. Maar je hebt ook een geleidelijke evolutie van kenmerken onder druk van milieu-omstandigheden. Die kan leiden tot het ontstaan van nieuwe soorten wanneer een deelpopulatie geïsoleerd raakt en zich anders gaat ontwikkelen. Dat vinkachtigen zo vlot nieuwe woongebieden veroveren, danken ze aan hun eetgewoonten. Vinken zijn zaadeters en zaden vind je overal.
Putter
De Putter is een elegant vogeltje met een bont verenpak. De Putter komt graag op plekjes met een rijk aanbod van eetbare zaden. Met hun fijn aangepunte snaveltje zijn ze goed uitgerust voor de lastige taak on zaden uit stekelige distelhoofdjes te peuteren. Omdat Putters vooral zaadeters zijn, vestigen ze zich het liefst op plaatsen met rijke onkruidflora, maar er moeten ook struiken en liefst wat fruitbomen voorhanden zijn, waar ze een veilig nestje kunnen bouwen, onttrokken aan het zicht van predatoren. Daarom geven Putters de voorkeur aan boomgaarden, heggen en parken in de buurt van bouwland of braakliggende terreinen, waar ze rijkelijk zaden kunnen vinden. Putters nestelen in struiken, dikwijls op ooghoogte. Kom je als mens te dicht bij de nestplaats, dan is er een groot risico dat de ouders hun broedsel in de steek laten. Blijf dus altijd een eind uit de buurt. Eigenlijk is deze vogel, ook al komt hij veel in tuinen, toch wilder en schuwer dan andere, meer gewone soorten zoals mussen en mezen. De in ons land broedende Putters trekken ’s-winters voor een deel weg naar Zuidwest-Europa, maar vele blijven hier achter, zolang het niet erg koud wordt. Hun gelederen worden dan aanzienlijk versterkt met Putters uit Noord- en Midden-Europa, die hier doortrekken of ook proberen te overwinteren. De Putter komt bijna in heel Europa voor, behalve in Schotland, IJsland en de subarctische delen van Scandinavië en Noord-Rusland. Het areaal loopt door in Centraal- en Zuidwest-Azië, alsook in Noordwest-Afrika.
De Putter heeft een verenkleed vol kleurcontrasten: zachte pasteltinten, plaatselijk afgewisseld met felle accenten. De rug is bruin, de buik wat lichter, van izabelkleurig tot bijna puur wit. De kop doet denken aan een schietschijf met die rode ring rond de puntige, lichtgekleurde snavel, nog weer door een witte baan afgescheiden van de zwarte achterkop. Ook de vleugels dragen felle kleuren: zwart, geel en wit. De gele vleugelstrepen zijn vooral in de vlucht goed zichtbaar. De zwart-witte staart is lichtjes gevorkt. Er zijn geen opvallende verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes. Jonge dieren hebben echter een veel minder kleurrijk jeugdkleed. Het lichaam is hier overwegend bruinachtig, ook het gelaat; maar op de vleugeltoppen is wel al het geel, zwart en wit van het adulte verenkleed te zien. Putters zijn vooral verzot op de zaden van samengesteldbloemige planten (composieten) zoals distels en paardenbloemen, maar eten ook wel zaden van lipbloemigen (bijv. Citroenmelisse). In de broedtijd eten ze verhoudingsgewijs veel meer insecten, die ze dan ook aan hun jongen op het nest voeren. Heeft zich een broedpaar gevormd, dan zoeken de dieren een plekje om een nest aan te leggen, meestal in een struik of een heg. Het nest wordt samengesteld uit dorre stengeltjes, worteltjes en vezels die alle onderdelen met elkaar moeten verbinden tot een stevige, zeer regelmatige gevormde nestkom. Het vrouwtje legt daar dan ongeveer vijf eieren in, die ze persoonlijk in een dag of twaalf uitbroedt. Het mannetje voorziet haar ondertussen van voedsel. De jongen worden twee weken na het uitkomen vliegvlug.
Dick Sla