Nu in de regio: Grauwe Vliegenvanger
Bij de bespreking van de Bonte Vliegenvanger vorig jaar hebben we gezien dat de vliegenvangersfamilie Muscicapidae wereldwijd zeker 17 geslachten en minstens 200 soorten telt. De meeste hiervan leven in Afrika, Azië en Australië. In Europa broeden vier Ficedula soorten en een Muscipada soort, dit is de Grauwe Vliegenvanger. Zoals de naam het al aangeeft, houden de leden van de vliegenvangers zich vrijwel uitsluitend in leven met insecten die in de lucht gevangen worden. Vliegenvangers jagen meestal op en om bomen, ongeveer halverwege de stam. In korte grillige vluchten jagen ze vliegende insecten na. Meestal keren ze na zo’n achtervolging steeds weer naar dezelfde zitplaats terug. Ze zitten daar eigenaardig rechtop, trekken nerveus met de vleugels en wippen met de staart, zoals de Grauwe Vliegenvanger, die een uitkijkpost in een meer open omgeving prefereert. Vliegenvangers zijn sterk afhankelijk van het voortbestaan van de insecten die hun voornaamste prooi vormen. Ze lijden dus indirect grote schade van het gebruik van insecticiden in de landbouw, vooral in boomgaarden. Dat effect doet zich sterker gevoelen bij soorten die in de buurt van mensen leven, zoals de Grauwe Vliegenvanger.
De Grauwe Vliegenvanger is een sober gekleed zangvogeltje en een opmerkelijke vliegkunstenaar. Hij komt in heel Europa voor, uitgezonderd in IJsland en op de open toendra van Noord-Rusland. In West-Europa is hij vooral in het laagland nog algemeen, maar in diverse landen zijn de populaties duidelijk aan het slinken. De Grauwe Vliegenvanger is een zelfstandig, eenzaam opererend vogeltje dat zijn jachtdomein fel verdedigt tegen soortgenoten. Het territorium van een broedpaar beslaat naar schatting gemiddeld een hectare, al is het gebiedje waarbinnen gejaagd wordt vaak kleiner. Al voor het eind van de zomer beginnen de eerste Grauwe Vliegenvangers aan de trek. Vaak gaan de jonge dieren als eerste op pad, in de laatste dagen van juli. Halverwege september hebben de meeste Grauwe Vliegenvangers hun biezen gepakt. Ze brengen de winter door op het Iberisch Schiereiland en vooral in tropisch en zuidelijk Afrika. In april keren de eerste Grauwe Vliegenvangers in ons deel van Europa terug, maar de hoofdmacht arriveert pas in mei en er zijn treuzelaars die pas in juni aankomen. Uit de verte ziet de Grauwe Vliegenvanger er effen muisgrijs uit, maar de kop, de keel en de nek zijn met donkere streepjes op een bruingrijze ondergrond fijn getekend. De buik is veel lichter, de snavel en de pootjes zijn zwart. De Grauwe Vliegenvanger is een insecteneter, net als de zwaluwen en gierzwaluwen, maar hij richt zich bij het jagen op andere insecten dan zij. Vliegen, muggen, kevers, vlinders, kleine libellen, hommels, wespen en bijen staan allemaal op het menu van de Grauwe Vliegenvanger. De Grauwe Vliegenvanger is een loerjager. Hij zoekt een hoge uitkijkpost op, vanwaar hij onverhoeds op passerende prooien neerduikt. Zijn buit neemt hij mee naar zijn zitplaats. Pas daar eet hij hem op. In de herfst wanneer insecten schaarser worden, vult hij zijn maaltijden aan met sappige besjes. In mei, na aankomst op de broedplaats, vormen zich broedparen. Het mannetje balts zonder veel geluid te maken, maar met veel nerveus gewip van zijn staart en zijn stuit. Ook biedt hij zijn vrouwtje af en toe insecten aan, die ze gretig, met trillende vleugels aanneemt. Het vrouwtje levert meestal in de tweede helft van mei een eerste legsel af. Ze broedt haar vier of vijf lichtblauwe, bruin gevlekte eieren zelf uit. Na12 tot 14 dagen broeden, komen de eieren uit en nemen de beide ouders de zorg voor de jongen op zich. Na twee weken worden de jongen vliegvlug. Kort daarna begint het vrouwtje aan een tweede legsel in hetzelfde nest.
Dick Slaa