Inloggen

Login op de site

Gebruikersnaam *
Wachtwoord *
Onthoud mij

ransuil g

ransuil k

Ransuil, Asio otus, 35-37 cm

Herkenning

De ransuil is gemakkelijk te herkennen aan zijn zogenaamde oorpluimen boven op zijn kop. Dit zijn echter geen oren, die zitten net als bij de kerkuil achter de hartvormige krans. Met de pluimen geeft de ransuil zijn gemoedtoestand aan. Indien er onraad of gevaar dreigt, dan zet de ransuil zijn pluimen recht overeind. De ransuil is 36 cm. groot, heeft een oranjebruine hartvormige krans met oranjezwarte ogen. Opvallend hierbij is een witte x-tekening tussen de ogen. De bovendelen zijn roestgeel en grijsbruin gestippeld, waarbij een iets donkere polsvlek zichtbaar is. De onderdelen zijn isabelkleurig met daartussen donkerbruine kruisvormige vlekken.
De ransuil is alleen 's nachts actief. 

Geluid

Half februari laat het mannetje een goed herkenbaar 'hoe' geluid horen. Dit is echter een zwak geluid, waardoor je de ransuil bij inventarisaties dikwijls mist. Wel hoor je in juni/juli de jonge ransuilen 's nachts roepen. Hiermee geven ze aan, waar de ouders het voedsel naar toe moeten brengen. Dit is een zeer luidruchtig geluid (klagend ie-ie) .Zo kom je vaak in juni achter dat er ransuilen gebroed hebben.

Biotoop

De combinatie van bossen om te broeden en te roesten (overdag schuilen) en een open terrein met veel woelmuizen om te jagen, bepaalt de levensomstandigheden van de ransuil.
Er is bij de ransuil een duidelijke voorkeur voor het broeden in naaldbomen. Hierbij maken ze gebruik van oude ekster -of kraaiennesten. Als blijkt dat er in een geschikt bos weinig van zo'n nesten aanwezig zijn, kun je door middel van een gevlochten wilgenmat de ransuil aan een broedgelegenheid helpen.
De beste tijd om een ransuil te zien is de winter. Veel jongen en trekkende ransuilen uit de Scandinavische landen verzamelen zich dan op gemeenschappelijke roestplaatsen. Dit zijn meestal naaldbosjes in de buurt van open vlakten, zoals heideterreinen, maar ook weilanden. Hier zit ten ransuilen overdag in groepen van 5 -25 exemplaren stil in de bomen. Deze roestplaats wordt meestal jaren achtereen gebruikt. In maart verlaten de ransuilen deze roestplaatsen.

Broeden

De ransuil legt eind februari, begin maart meestal 4 -5 witte eieren. Het vrouwtje broedt alleen de eieren uit, dit duurt 25 -32 dagen. Na het broeden blijft het vrouwtje ook de jongen voeren, met voedsel wat door het mannetje wordt aangeleverd. De jongen zijn mooie witte donsbolletjes, die toch niet zo weerloos zijn als ze eruit zien. Bij gevaar kunnen ze op hun rug vallen, waarbij de scherpe klauwen menige tegenstander ze rechtsomkeer laat maken. Na ongeveer 25 dagen vliegen de jonge ransuilen uit.
In Nederland broeden er elk jaar ongeveer 7000 -10.000 paren.

Voedsel

De prooien variëren sterk van plaats tot plaats. In sommige gebieden grijpt de ransuil veel vogels van hun zitplaats af. Kleine knaagdieren vormen in de meeste gebieden de voornaamste prooi. De cyclische veranderingen in de populatie van deze knaagdieren hebben invloed op het aantal ransuilenjongen. In jaren, rijk aan knaagdieren, nestelen meer uilen, worden er meer eieren gelegd en zijn er meer jongen.

Aantallen in Nederland

Aantallen in onze omgeving