Inloggen

Login op de site

Gebruikersnaam *
Wachtwoord *
Onthoud mij

kerkuil g

kerkuil k

Kerkuil Tyto alba 33-39 cm

Herkenning

De kerkuil is een zeer lichte uil met een hartvormige krans rand zijn ogen. Hierdoor wordt de kerkuil ook wel eens "kransuil" genoemd. De hartvormige krans is wit van kleur, een kleur die goed contrasteert met de geheel zwarte ogen. De bovendelen en vleugels zijn asgrijs met oranjebruin Op de bovenkop, nek, staart en bovendekveren is het verenkleed bespikkeld met langwerpige zwart-witte druppelvlekjes. De onderdelen kunnen van kleur verschillen in Nederland. Je hebt namelijk 2 ondersoorten in Nederland. Een ondersoort heeft oranjebruine onderdelen, bespikkeld met donkerbruine ruitvormige vlekjes. Deze ondersoort komt voor in Noord- en Oost-Europa en ook in het grootste deel van Nederland. De andere ondersoort heeft volledig witte onderdelen, met hier en daar donkere vlekjes. Deze soort is hoofdzakelijk te vinden in Zuid/Midden- Europa. Ook in Noord-Brabant vind je deze ondersoort op een aantal plekken, maar de donkere ondersoort overheerst hier.
De ondervleugels zijn altijd lichtgekleurd, zodat de kerkuil tijdens de vlucht als een witte verschijning overkomt. De lengte van de kerkuil varieert van 33 -39 cm, de spanwijdte van de vleugels bij een kerkuil ligt meestal tussen de 85 en 93 cm.

Geluid

Het geluid van de kerkuil dat meestal wordt gehoord is de contactroep. Dit is een schreeuw die erg luid is. De bedelroep van de jongen kan rondom nestkasten vaak gehoord worden en is een langgerekt iele schreeuw. In de opname zijn de bedelroepen te horen van 2 9-weken oude jongen. Aan het eind van de opname is de contactroep van het wegvliegende vrouwtje te horen (volume iets omlaag en niet schrikken). 

Biotoop

De kerkuil is een specifieke jager van het open veld en komt het meest voor in die kleinschalige gebieden, waar gras- en bouwland worden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen en bosjes. Daar komt nog bij dat er geschikte broedplaatsen in deze gebieden moeten zijn. Dit zijn stille, het liefst donkere zolders in kerken, boerderijen en schuren. Ook maakt de kerkuil dankbaar gebruik van de zogenaamde kerkuilenkasten.

Voedsel

Voornamelijk spitsmuizen, maar soms ook een enkel zangvogeltje.

Broeden

Kerkuilen kunnen in alle maanden van het jaar broeden. In goede muizenjaren zie je dat ze in december nog aan het broeden zijn, maar in het algemeen legt een kerkuil in april/mei eieren. De gemiddelde legdatum ligt rond de eerste week van april.
De balts begint bij de kerkuil al heel vroeg in het jaar. In februari/maart laat het mannetje zijn ijselijke baltskreet horen, waarmee hij aangeeft dat hij rond die plaats een territorium heeft. Voor mannetjes die nog alleen zitten betekent de baltskreet ook een lokroep om vrouwtjes aan te trekken.
Als er eenmaal een paar gevormd is, wordt er op de nestplaats regelmatig gepaard. Ongeveer 4 weken daarna legt het vrouwtje het eerste ei. Het mannetje zorgt intussen vaar de prooiaanvoer. Om de andere dag wordt er een ei gelegd, totdat een totaal bereikt is van 4 -10 eieren. Dit is afhankelijk van het muizenaanbod. In muizenrijke jaren broeden ze 2 keer, normaal hebben ze maar een broedsel per jaar .
Het vrouwtje begint meteen na het eerste ei te broeden, waardoor de eieren na elkaar uitkomen. Dit betekent dat de leeftijden van de jonge kerkuilen behoorlijk verschillen.
Alleen het vrouwtje broedt. Het mannetje zit overdag in de buurt van het vrouwtje, of in de kerkuilenkast in het vak naast de broedplaats (zie ook tekening kerkuilen- kast).
Tijdens de gehele broedperiode voorziet het mannetje het vrouwtje van voedsel. Het broeden duurt ongeveer 30 dagen.
De jongen blijven ongeveer 60 dagen in de kerkuilenkast, waarna ze uitvliegen. Doordat de jongen verschillend van grootte zijn kan het voorkomen dat in slechte muizenjaren de jongste kerkuil doodgaat aan voedselgebrek. Dit ontstaat doordat de jongste kerkuil niet voldoende voedsel kan bemachtigen, daar zijn oudere broers en zussen sterker zijn. Het lijkt hard, maar toch is dit de beste manier om het vaartbestaan van de kerkuil veilig te stellen.

Aantallen in Nederland

Zie werkgroep uilen